Stop met praten over kinderarbeid

12 juni is het de Internationale Dag tegen Kinderarbeid. Met dat in het achterhoofd, schets ik u een scenario dat zich binnenkort misschien wel weer in de media zal ontvouwen.

Een journalist gaat undercover in een sweatshop, tussen de cacao-arbeiders of in een fabriek. Legt vast hoe kinderen dagenlang hun handen kapot werken tegen een hongerloon. Het publiek spreekt schande, de multinational die zaken deed met de lokale fabriek wordt ter verantwoording geroepen en de fabriek wordt gesloten – de gemeenschap soms meesleurend in haar val omdat werkgelegenheid verloren gaat. Toch kloppen we onszelf op de schouders: misstand opgelost.

Maar de kinderen uit de fabriek, wat gebeurt er met hen en hun ouders? Voor hen verandert er weinig. Ze zijn waarschijnlijk snel weer aan het werk in een fabriek of op een plantage even verderop of kunnen in een nog ergere situatie van uitbuiting terecht komen. Omdat er geen scholen in de buurt zijn, omdat de ouders nog altijd te arm zijn om een schooluniform of medicijnen te kunnen betalen, en omdat de kinderen dus nog steeds bij moeten dragen aan het inkomen van het gezin.

Wereldwijd krijgen nog altijd zo’n 168 miljoen kinderen te maken met kinderarbeid, van wie er 85 miljoen zwaar of gevaarlijk werk doen. Alleen al in Ivoorkust werken 1,2 miljoen kinderen in de cacaosector. Ze werken met scherpe gereedschappen, doen lichamelijk zwaar werk of komen in contact met giftige stoffen. Hoe kan dat, als we met z’n allen al zo vaak hebben afgesproken kinderarbeid uit te zullen bannen?

Dat ligt aan de bovenstaande reflex-aanpak, het zoeken naar de ‘snelle oplossing’. Die gaat echter voorbij aan het onderliggende probleem: de armoede van gezinnen, van hele gemeenschappen. Om kinderarbeid echt aan te pakken moeten we ons niet focussen op het sluiten van fabrieken, maar op het verbeteren van de omstandigheden waarin kinderen leven. Pas als het kind centraal staat in plaats van het bedrijf, kunnen we stappen zetten tegen kinderarbeid. Daar is echter de hulp van alle betrokkenen voor nodig.

Nederlandse bedrijven moeten de fabrieken die de fout in gaan niet sluiten of de zakelijke relatie beëindigen, maar juist  helpen om de omstandigheden ter plekke te verbeteren. Ten eerste kunnen ze ervoor zorgen dat ouders een eerlijk inkomen krijgen, zodat zij hun kinderen niet aan het werk hoeven te zetten. Willen bedrijven jonge (lees: goedkopere) werkkrachten? Laten we meedenken over hoe ze jongeren veilig, in deeltijd en binnen wettelijke kaders kunnen inzetten – in bijbaantjes, betaalde stages of werkervaringsplekken. Als dat in Nederland kan, kan het elders immers ook.

Zo kunnen jongeren bij blijven dragen aan het gezinsinkomen én houden ze tijd over om naar school te gaan of een vakopleiding te volgen. Gemeenschappen moeten er op hun beurt van doordrongen raken dat het beter is dat kinderen naar school gaan, in plaats van dat ze werken. En dat zowel gezinnen als de gemeenschap er op langere termijn van profiteren dat jongeren beter opgeleid worden. Overheden moeten op hun beurt zorgen voor passende wettelijke kaders en voor goed onderwijs, zodat kinderen zich kunnen ontwikkelen. Is de overheid niet sterk genoeg? Dan kunnen we hen helpen om sterker te worden.

De resultaten van programma’s die Save the Children heeft in bijvoorbeeld Ivoorkust, maken duidelijk dat wanneer werkgevers, overheden, scholen, ngo’s en lokale gemeenschappen samen optrekken, er veel mogelijk is. Een snelle oplossing bestaat niet, maar het bestrijden van kinderarbeid is heel goed mogelijk. Zolang we ons maar niet te zeer focussen op kinderarbeid alleen.

Pim Kraan, directeur Save the Children

Wil je op de hoogte blijven van onze activiteiten? Ontvang maandelijks onze e-mailnieuwsbrief.