Rekenkamer gaat voorbij aan Internationale context hulpverlening

De Algemene Rekenkamer gaat in haar rapport over de Haïti-rapportage van de samenwerkende hulporganisaties voorbij aan de internationale context van hulpverlening. De Rekenkamer adviseert SHO te komen tot meer eenduidige cijfers van de hulporganisaties achter Giro555 - bij de ramp in Haïti waren dat er vijftien – omdat dat zou leiden tot nog betere verantwoording van de bestedingen aan het Nederlands publiek zou leiden. “Maar helaas is dat op dit moment een boekhoudkundige utopie “, zegt voorzitter René Grotenhuis namens de samenwerkende hulporganisaties.

De samenwerkende hulporganisaties rapporteren gedetailleerd, maar niet altijd over dezelfde eenheden. Zo gebruiken sommige organisaties 'leslokalen' of 'scholen' en andere het 'aantal leerlingen' als maatstaf bij het laten zien van resultaten.  “Kijk, alle Nederlandse hulporganisaties maken deel uit van internationale koepels en netwerken, zodat ze efficiënt en gecoördineerd hulp kunnen verlenen. Al die koepels en netwerken hebben wereldwijd afdelingen die allemaal vanuit hun eigen nationale context en regelgeving rapporteren. Als medewerkers van Nederlandse hulporganisaties pogen wij die verslaglegging meer eenduidig te maken, maar wij zijn internationaal maar een kleine speler en hebben gewoon niet zomaar even invloed op het hele internationale verantwoordingssysteem”, zegt noodhulpexpert Hans van den Hoogen van Oxfam Novib, één van de organisaties achter Giro555. 

Voorzitter Grotenhuis: “Nederlandse hulporganisaties werken nu een maal niet vanuit een Nederlands eiland, maar zijn verbonden in samenwerkingen met grote wereldwijde netwerken met eigen standaarden voor verantwoording. Wij hebben als Nederlands samenwerkingsverband niet zo´n invloed dat we grote internationale organisaties als Unicef of het Rode Kruis snel  kunnen veranderen.”
 
Al jaren knokken Nederlandse hulporganisaties, maar ook de Nederlandse overheid om op internationaal niveau eenduidigheid en coördinatie te verbeteren. De stappen die sinds tien jaar zijn gezet via bijvoorbeeld UN OCHA worden helaas door de Rekenkamer buiten beschouwing gelaten. “Dat de standaarden voor verantwoording soms afwijken, mag natuurlijk nooit worden uitgelegd als gebrek aan samenwerking of lerend vermogen tussen hulporganisaties, zoals de Rekenkamer concludeert in haar persbericht”, aldus Grotenhuis.

Van den Hoogen: “Hulpverleners kunnen prima met elkaar spreken over de kwaliteit van hulpverlening, ook als de één het heeft over leslokalen en de ander over het aantal leerlingen dat is bereikt.”
 
“Dankzij onze samenwerking in Nederland zijn wij in staat het Nederlands publiek in groten getale te mobiliseren om te geven voor hulp. En dankzij het feit dat we deel zijn van internationale netwerken kunnen wij dat geld efficiënt en snel omzetten in hulpverlening ter plekke. De slagkracht van de organisaties achter Giro555 is hierdoor groot en waar ook ter wereld kan zeer snel slachtofferhulp worden geboden“, zegt Grotenhuis.
 
Eind 2014 eindigt de bestedingstermijn van Giro555-geld voor slachtoffers van de aardbeving in Haïti uit 2010. De organisaties hebben het geld van Giro555 vaak al enkele jaren geheel besteed aan hulp of zijn daar zo goed als mee klaar. René Grotenhuis, voorzitter van de SHO: “Afgelopen jaren was de Rekenkamer steeds positief over de verbeteringen die we doorvoerden. We brengen inmiddels rapporten uit van meer dan 70 pagina’s, zodat we die aanbevelingen ruimte kunnen geven. Het verrast ons dan ook dat de Rekenkamer nu  - in dit vierde ARK-rapport over onze zesde rapportage - met deze conclusies komt.”

Alle rapportages over hulpgelden van de verschillende Nationale Acties zijn te vinden op de website van Giro555. De samenwerkende hulporganisaties zorgen daarnaast voor meer behapbare verantwoordingen aan het publiek. Bij de tussenrapportage van de Filipijnen-actie vorige maand hebben de hulporganisaties bijvoorbeeld concrete resultaten in cijfers verwerkt en via gratis advertenties in kranten geplaatst. Zo kon het publiek zien hoeveel kinderen weer naar school gaan en hoeveel vissersboten hulporganisaties hebben uitgedeeld, met geld uit Nederland. Ook kreeg het publiek in videoreportages de belangrijkste resultaten van hun bijdrage gepresenteerd. Verder zijn de gezamenlijke rapporten uitgebreid met grafische afbeeldingen van de geldstromen vanuit Nederland tot aan de ontvanger van hulp en bijvoorbeeld gedetailleerd inzicht in wat organisaties toerekenen aan programmamanagementkosten.