Duha en Rahimah hebben het bitterkoud in de winter

Duha (6) en Rahimah (4) zijn met hun ouders uit Syrië gevlucht. Sindsdien wonen zij in een tent in de Bekaa vallei in Libanon.

Vader Nihad vertelt: “In Syrië woonden we in een bergdorp waar het drie maanden per jaar sneeuwde. We zijn dus gewend aan de kou, maar thuis hadden we tenminste een warm huis en warme kleding. Nu hebben we alleen dunne kleding, want we zijn in de zomer gevlucht en konden bijna niets meenemen. Met dit winterweer redden we het niet met onze tent en deze kleding. Zelfs Eskimo's hebben warme kleding en een goed dak boven hun hoofd nodig!”

Daarmee vat Nihad de twee grootste gevaren samen: te weinig kleding en een tent waar wind, regen en sneeuw door alle kieren naar binnen komt. Alles is constant nat. Ook in de tent kunnen de meisjes dus niet opwarmen. Duha en Rahimah hebben het dan ook dag en nacht koud. En ze kunnen er niet voor vluchten.

Tintelende vingers en longontsteking
Vooral Rahimah heeft het zwaar: haar wangen en vingers zijn aangetast door de kou. De pijn is constant, ze heeft tintelingen en kan soms met moeite dingen vasthouden. Beide meisjes zijn vaak ziek, variërend van zware verkoudheid tot longontsteking. Nihad probeert zijn dochters toch zo veel mogelijk in de tent te houden: “Als ze vijf minuten buiten lopen worden hun voetjes blauw, gaat hun huid pijn doen en lopen ze te klappertanden.”

Ingestort 'dak'
Regen en modder stroomt de hut binnen. Als het hard sneeuwt of regent dan stort het ‘dak’ in. Duha: “Als het ‘s nachts regent lig ik op mijn matje in de druppels. Mama legt dan vaak een zeiltje over mee heen. Ik probeer mijn zusje ondertussen warm te houden, want zij is helemaal klein. De kou gaat nooit weg. Soms denk ik dat we nooit meer warm zullen worden.”