Maak ‘leefbaar inkomen’ onderdeel van convenanten

Onlangs maakte minister Lilianne Ploumen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking afspraken met 60 bedrijven en andere betrokken partijen over duurzaamheid in de kledingindustrie, en met de financiële sector. In die convenanten staat dat de bedrijven hun productieprocessen gaan doorlichten op bijvoorbeeld kinderarbeid, veiligheid op de werkvloer en de aanwezigheid van vakbonden. En dat ze waar nodig verbeteringen aanbrengen. Het zijn de eerste in een lange rij convenanten op het gebied van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO). De komende maanden en jaren gaat de minister met dertien branches om de tafel.

De Nederlandse overheid werkt al hard aan het verbeteren van de arbeidsomstandigheden van mensen in ontwikkelingslanden. In 2015 zijn met Nederlandse steun 191.000 banen geschapen, en Nederland betaalde mee aan inspecteurs die in Bangladesh bijna 3.500 textielbedrijven doorlichtten. En nu de nieuwe convenanten eraan komen, ligt er een prachtkans voor nog eens tientallen Nederlandse internationale bedrijven om het leven van honderdduizenden mensen over de hele wereld te verbeteren. Wat ons betreft zouden twee begrippen centraal moeten staan bij de onderhandelingen over die convenanten: kinderen, en het Leefbaar Inkomen.

De wereld van morgen draait op de kinderen van nu. Om ervoor te zorgen dat zij zich kunnen ontwikkelen tot burgers die straks de maatschappij op hun schouders nemen, moeten we nu naar ze luisteren. Betrek bij het opstellen van de convenanten dan ook expliciet de mening van kinderen in de landen waar het om gaat: wat hebben ze nodig om zich te kunnen ontwikkelen? We voorspellen alvast: dat zijn geen heel bijzondere wensen. Ze zullen niet vragen om de laatste X-Box, om Pokemons bij hen in de straat, om een eigen kamer met een flatscreen. Ze willen naar school, genoeg en gezond eten, ze willen naar een ziekenhuis kunnen als zij of hun familieleden ziek zijn. Stoppen met werken in de fabrieken of op de akkers waar ze aan de slag moeten omdat hun ouders te weinig verdienen. En ze willen niet dat hun ouders zich kapot werken om het gezin maar  in leven te kunnen houden.

Dat brengt ons bij het tweede punt: het opnemen van het ‘leefbaar inkomen’ in de convenanten. Dat is een inkomen waardoor een gemiddeld gezin mee kan doen in de maatschappij. Voor een fabrieksarbeider is het een salaris, voor een cacaoboer is het een eerlijke prijs voor zijn oogst die voorziet in een veilige, fatsoenlijke levensstandaard. Met een minimum inkomen kan een gezin vaak nauwelijks het hoofd boven water houden. Met een leefbaar inkomen kunnen ouders hun kinderen niet naar de plantages maar naar school sturen, kunnen ze gezondheidszorg betalen. Ouders hoeven geen tweede baantje te nemen om te overleven, ze hoeven hun kinderen niet naar een weeshuis te sturen omdat ze de opvoeding zelf niet kunnen betalen.

Het recht op een leefbaar inkomen ligt vast in de universele verklaring voor de rechten van de mens (artikel 23, lid 3), maar niet alleen daarom is het van groot belang. Naast het welzijn van kinderen en gezinnen draagt een leefbaar inkomen bij aan de economie. Geld dat ouders uitgeven aan eten, boeken, medicijnen en kleding stroomt immers weer terug in de economie. Zo is het een vorm van investeren in de toekomst: zowel in die van kinderen als in die van het land zelf. En laat daar de kinderen vooral over meepraten. Want zij weten wellicht niet hoeveel hun ouders moeten verdienen, maar ze weten heel goed wat ze later willen worden. En wat daar voor nodig is. Daarom is het noodzakelijk dat het leefbaar inkomen centraal komt te staan in de toekomstige IMVO-convenanten in verschillende risicosectoren.

Pim Kraan - directeur Save the Children
Eva Gouwens - Tony’s Chocolonely